foto-handel

van 30 eurocent tot 25 euro: de prijs van een ton co₂

Blog – 16 mei 2019

Eén van de best presterende commodity’s van dit moment is CO₂. Begin 2018 stond de prijs van Europese emissierechten, het recht om een ton CO₂ te mogen uitstoten, op ongeveer 8 euro. Een jaar later staat de prijs al op 25 euro. Carbon credits, die onder bepaalde voorwaarden inwisselbaar zijn voor emissierechten, worden al lange tijd verhandeld voor minder dan 30 eurocent. En bedrijven die vrijwillig hun CO₂-voetafdruk compenseren met carbon credits, betalen prijzen die variëren van minder dan 1 euro tot meer dan 20 euro per ton. Wat is het verschil nu eigenlijk tussen deze verhandelbare tonnen CO₂ en waarom de grote verschillen in prijs? In dit artikel proberen we daar meer duidelijkheid in te geven.

Verschillende typen CO₂-rechten

Voor een beter begrip is het belangrijk eerst een onderscheid te maken tussen rechten om CO₂ te mogen uitstoten (emissierechten) en rechten om reeds gereduceerde CO₂ te mogen claimen (carbon credits). Daarnaast is er een verschil tussen het aankopen van deze rechten op vrijwillige basis of vanwege een verplichting. Ook is het goed om deze te plaatsen in de context van de internationale klimaatafspraken welke uiteindelijk de basis hebben gelegd voor de levendige handel in broeikasgassen.

foto-prijzen-co2

Emissierechten
Naar aanleiding van de rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is in 1992 het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) tot stand gekomen. Doel van dit klimaatverdrag: “het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer tot een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen". Dit verdrag is inmiddels door 197 landen ondertekend. Jaarlijks komen alle landen bijeen op de Conference of the Parties (COP) om de voortgang en ambitie t.a.v. klimaatverandering te bespreken.

Op de derde COP in 1997 is het Kyoto verdrag gesloten. De invulling van dit verdrag, het Kyoto protocol, regelt de uitstoot van broeikasgassen van westerse industrielanden, de zogenaamde “Annex I-landen”. Het verdrag trad uiteindelijk pas in werking in 2005 nadat voldoende landen het verdrag hadden ondertekend en geratificeerd. Alle Annex I-landen in het verdrag hebben emissiedoelstellingen gekregen voor een eerste periode (2008-2012) en tweede periode (2013-2020). Voor de tweede periode hebben 37 partijen zich gecommitteerd, de EU en haar 28 lidstaten, Australië, Wit-Rusland, IJsland, Kazachstan, Liechtenstein, Noorwegen, Zwitserland en Oekraïne. De Verenigde Staten, Canada, Japan, Rusland en Nieuw-Zeeland hebben geen commitment afgegeven voor de tweede periode en ook China en India hebben geen verplichting binnen het Kyoto protocol.

Handhaving van het verdrag vindt plaats door voor elke periode emissierechten toe te wijzen, Assigned Amount Units (AAUs). Eén AAU staat voor het recht om 1 ton CO₂e (CO₂ of equivalent broeikasgas) te mogen uitstoten in die periode. Onderdeel van het protocol is dat deze rechten verhandeld mogen worden, één van de zogenaamde flexibele mechanismen. Landen die minder AAUs nodig hebben dan toegewezen, kunnen AAUs verkopen aan landen die er meer nodig hebben om te voorkomen dat ze hun Kyoto verplichtingen niet halen. Sinds het ingaan van de tweede periode wordt deze internationale emissiehandel nog maar in zeer beperkte mate gebruikt. In plaats daarvan zien we dat emissiehandel vooral op regionaal, landelijk of lokaal niveau plaatsvindt.

Verreweg het grootste emissiehandelssysteem ter wereld is het European Union Emission Trading System (EU ETS) dat bestaat sinds 2005. Het EU ETS moet ervoor zorgen dat de Europese Kyoto doelstellingen gehaald worden: 20% reductie van broeikasgassen in 2020 ten opzichte van het niveau in 1990. Het EU ETS reguleert de uitstoot van ongeveer 11.000 bedrijven in de energiesector, industrie en luchtvaart (45% van de totale uitstoot in de EU). Voor de overige sectoren is ieder Europees land individueel verantwoordelijk voor het halen van de klimaatdoelen.

Emissierechten binnen het EU ETS, European Union Allowances (EUAs), worden deels toegewezen aan bedrijven. Voor het deel dat meer uitgestoten wordt, moeten EUAs worden aangekocht. Het totaal aantal rechten wordt gefaseerd naar beneden gebracht, waardoor de totale uitstoot naar beneden gaat. Rechten worden verhandeld via een veilingsysteem en verkocht aan de hoogste bieder. Indien een bedrijf niet genoeg rechten kan overleggen, volgt er een boete.

Het idee achter dit systeem is dat, door marktwerking, reductiemaatregelen daar plaatsvinden waar ze het meest kostenefficiënt zijn. Doordat er vraag en aanbod is in emissierechten, krijgt CO₂ -uitstoot een prijs. Bedrijven maken zelf een afweging wat het goedkoopst is: rechten aankopen of uitstoot-reducerende maatregelen treffen. Andere van dit soort ‘cap and trade’ systemen zien we o.a. in Zuid Korea, California en Canada maar ook China en Colombia werken aan de implementatie van een ETS en verwacht wordt dat meer landen gaan volgen.

Fluctuerende prijzen van emissierechten
In de beginjaren van het EU ETS (2005-2008) lag de prijs van de EUA tussen de 20 en 30 euro. Vanaf 2008, toen de economische crisis zijn intrede deed, zijn de prijzen gekelderd tot onder de 10 euro. Door verminderde economische activiteit ontstond er een overschot aan emissierechten. Omdat deze rechten opgespaard kunnen worden, heeft dit ook in de jaren na de crisis nog een effect gehad. Het ETS kreeg te maken met flinke kritiek, de lage prijs van de EUA zou bedrijven niet genoeg motiveren om minder CO₂ uit te stoten.

In 2018 is er echter een ommekeer gekomen in de prijs van de EUA. Het verbeterde economische klimaat maar vooral ook het uit de markt halen van een overschot aan rechten (marktstabiliteitsreserve) door de EU heeft voor een omslag gezorgd. Door de stijgende vraag naar emissierechten en beperking van het aanbod, hebben we in 2018 een sterke stijging gezien van de prijs van de EUA. In 2019 is de prijs van de EUA zelfs gestegen naar 25 euro en de verwachting is dat deze mogelijk richting de 40 euro gaat. Factoren die hierbij een belangrijke rol zullen spelen, zijn de ontwikkelingen omtrent Brexit en specifieke beleidsmaatregelen t.a.v. de marktstabiliteitsreserve van het EU ETS.

Carbon credits
Verplichte CO₂-markt
Naast de emissiehandel bestaat er nog een ander flexibel mechanisme binnen het Kyoto protocol, het Clean Development Mechanism (CDM). Binnen het CDM mogen landen met een reductieverplichting een deel van hun doelstelling behalen in niet-Annex I-landen. De gedachte hierachter is dat het vaak kostenefficiënter is om reducties te realiseren in armere niet-geïndustrialiseerde landen. Men kan hierbij denken aan projecten op het gebied van duurzame energie, herbebossing, afvalverwerking of energiebesparing. Iedere vermeden ton CO₂-uitstoot binnen een CDM project, levert een Certified Emission Reduction op (CER). Een CER geeft binnen het Kyoto raamwerk het recht om een gerealiseerde ton CO₂e reductie in een niet-Annex I land te claimen, als het ware ‘de credits ervoor te krijgen’.

Deze carbon credits zijn net als emissierechten verhandelbaar. CERs mogen tot een bepaald maximum, 2% voor de meeste landen, gebruikt worden om te voldoen aan de Kyoto verplichtingen. Ook binnen het EU ETS mogen deze credits tot 2020, onder een aantal strikte voorwaarden en tot een maximum, gebruikt worden in plaats van EUAs. Wanneer een CER gebruikt wordt, wordt deze in het CDM register geannuleerd (retirement) en kan daarna niet meer verhandeld worden.

Naast het CDM is er ook het minder bekende Joint Implementation (JI), dit mechanisme reguleert CO₂-reductie projecten in Annex I-landen en levert Emission Reduction Units (ERUs) op. Het derde type carbon credits binnen het Kyoto protocol zijn Removal Units (RMUs). RMUs komen voort uit CO₂-vastlegging in Annex I-landen door de aangroei van bossen of verandering in landgebruik.

Vrijwillige CO₂-markt
CERs worden niet alleen gebruikt om te voldoen aan de reductieverplichting binnen het Kyoto protocol, maar ook voor vrijwillige CO₂-compensatie. Kopers zijn meestal bedrijven of andere organisaties die op vrijwillige basis hun klimaatimpact willen mitigeren, we noemen dit ook wel CO₂-compensatie. Naast Certified Emission Reductions (CERs), die voortkomen uit CDM projecten, wordt er in deze markt vooral gebruik gemaakt van Verified Emission Reductions (VERs). VERs zijn carbon credits die gegenereerd worden door CO₂-compensatieprojecten die speciaal gericht zijn op de vrijwillige compensatiemarkt, ook wel ‘voluntary emission reductions’ genoemd.

Veel gebruikte standaarden hiervoor zijn Gold Standard en VCS (Verified Carbon Standard). Gold Standard is opgericht in 2003 door WWF en andere internationale NGO’s om te waarborgen dat CDM projecten ook bijdragen aan duurzame ontwikkeling. De VCS standaard is de meest gebruikte standaard en is ontwikkeld door het World Economic Forum (WEF) en het World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) met als uitgangspunt een effectieve standaard met beperkte administratieve lasten en criteria, die vergelijkbaar zijn met CDM.

Prijzen carbon credits
Verplichte CO₂-markt
CERs hebben lange tijd dezelfde prijsontwikkeling doorgemaakt als de Europese emissierechten. CERs maakten evenals de EUA een vrije val na de crisis. Waar de EUA zich weer hersteld heeft, werd in 2011 duidelijk dat CERs nog maar in beperkte mate gebruikt mochten worden in fase 3 (2013-2020) van het EU ETS. Omdat het EU ETS altijd de grootste afnemer was van CERs, zorgde dit voor een groot overschot waardoor de prijzen verder kelderden tot onder de 1 euro. Vandaag de dag worden CERs in de verplichte markt verhandeld voor minder dan 30 eurocent.

foto-prijzen-co2-3

Vrijwillige CO₂-markt
In de vrijwillige markt gelden echter hele andere prijzen voor carbon credits, zowel voor VERs als voor CERs. Reden hiervoor is dat VERs in mindere mate gezien worden als een commodity. Naast prijs spelen kwalitatieve aspecten van een project ook een belangrijke rol. Zo kan een project zich, naast CO₂-reductie, bijvoorbeeld ook richten op sociale impact of natuurbescherming. Een voorbeeld daarvan zijn clean cooking projecten, die naast CO₂-reductie ook een positieve impact op gezondheid en armoedebestrijding realiseren. De mate waarin kopers bereid zijn te betalen voor deze kwalitatieve aspecten, spelen een belangrijke rol in de totstandkoming van de prijs van deze credits.

foto-prijzen-co2-4

Prijzen variëren van minder dan 1 euro voor bijvoorbeeld grootschalige duurzame energieprojecten tot prijzen die kunnen oplopen tot 20 euro voor bijvoorbeeld kleinschalige cookstove projecten of herbebossing. De gemiddelde prijs in 2017 lag op ongeveer 3 euro, dat is meer dan tien keer zo hoog als de marktprijs voor CERs.

Echter ook in de vrijwillige markt is het aanbod van credits zodanig hoog dat de prijs onder druk staat. De prijs van een carbon credit reflecteert over het algemeen niet de werkelijke kosten van het reduceren van die ton CO₂. Projecten zijn naast inkomsten uit carbon credits ook vaak afhankelijk van andere inkomstenbronnen, zoals subsidies of donatiegelden van NGO’s of overheden. Dit ondermijnt niet alleen de duurzaamheid van projecten, maar ook de claim dat de koper van de carbon credit 100% verantwoordelijk is voor het reduceren van die ton CO₂.

Fairtrade International heeft in samenwerking met Gold Standard, de Fairtrade Climate Standard, een add-on op de Gold Standard, ontwikkeld. Deze vrijwillige standaard stelt een minimumprijs voor carbon credits, gebaseerd op de werkelijke kostprijs van het reduceren van een ton CO₂ binnen een project. De minimumprijs moet voldoende carboninkomsten voor het project garanderen om de totale kosten van het project te kunnen dekken. Daar bovenop wordt nog een Fairtrade premie betaald, die ingezet wordt voor sociale doeleinden binnen de lokale gemeenschap zoals trainingen op het gebied van klimaatadaptatie.

Verdere prijsontwikkeling carbon credits
Van de marktprijs van CERs, die nu op 23 eurocent staat, wordt niet veel verwacht. Belangrijkste reden hiervoor is het gigantische aanbod in vergelijking met de vraag naar CERs. Daarnaast ziet het ernaar uit dat CERs niet meer gebruikt mogen worden in het EU ETS na 2020. Van specifiek type CERs die aan bepaalde criteria voldoen, bijvoorbeeld die toegestaan worden binnen het Koreaanse ETS, is wel te verwachten dat ze voor hogere prijzen verhandeld gaan worden. Op dit moment worden contracten gesloten die variëren tussen de 4 en 8 euro.

Binnen de internationale luchtvaartsector wordt momenteel gesproken over klimaatneutrale groei vanaf 2021, het ‘Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation’ (CORSIA). Als de sector hiervoor afhankelijk is van carbon credits, zou dit een flinke toename betekenen in de vraag naar zowel CERs als VERs. Echter, als alle type carbon credits zijn toegestaan dan is de verwachte impact op de prijs nog steeds beperkt. Maar hoe specifieker de criteria die gesteld worden aan deze credits hoe hoger de impact op de prijs zal zijn voor de credits die voldoen aan die criteria.

Een andere bepalende factor voor carbon credits zijn de National Determined Contributions (NDCs). In het klimaatakkoord van Parijs is afgesproken dat vanaf 2020 alle landen hun bijdrage moeten leveren aan het reduceren van broeikasgassen, het Kyoto tijdperk komt daarmee ten einde. De NDC geeft de doelstellingen weer van een land ten aanzien van het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen en hoe deze reducties gerealiseerd zullen worden. Als blijkt dat emissiereducties van compensatieprojecten meegeteld worden binnen de NDC van het land waar het project zich bevindt dan is het niet meer mogelijk om de emissiereducties als carbon credits te verkopen aan buitenlandse kopers. De reducties zijn immers al geclaimd door het gastland, verkoop van credits zou een dubbeltelling betekenen van emissiereducties. Bepalende beleidsbeslissingen zijn o.a. welke sectoren als NDC sectoren aangemerkt zullen worden en de mogelijkheden om de reducties van specifieke projecten niet mee te laten te tellen binnen de NDC.

Invoering van een eventuele CO₂-belasting zou ook nog invloed kunnen hebben op de vraag naar en prijs van carbon credits, met name in de vrijwillige compensatiemarkt. Het is de vraag of bedrijven die onder de CO₂-taks vallen ook nog vrijwillig gaan compenseren en of carbon credits tot een bepaald niveau gebruikt mogen worden als alternatief voor een CO₂-taks.

Tot slot, voor de vrijwillige markt is veel afhankelijk van het bewustzijn van organisaties en bedrijven van de impact die ze hebben op het klimaat en de ruimte en bereidheid die er is om daar wat aan te doen. We zien een opkomst van steeds meer bedrijven die streven naar klimaatneutrale of zelfs klimaatpositieve bedrijfsvoering, producten en diensten én de behoefte om bij te dragen aan de Sustainable Development Goals (SDGs). Om deze reden verwachten we dan ook een blijvende behoefte aan kwalitatief hoogwaardige klimaatprojecten, die ook in de breedte bijdragen aan duurzame ontwikkeling op lange termijn.

Deel deze pagina

Onze site maakt gebruik van cookies voor een optimale gebruikservaring. Bekijk onze privacyverklaring.

Sluit melding